Parijs is de stad van de liefde, maar onder de grond heerst de dood. In een gigantisch netwerk van tunnels liggen de botten van meer dan 6 miljoen Parijzenaars.
Het is een van de meest bijzondere (en griezelige) bezienswaardigheden van de stad. Hier zijn 8 feiten die je moet weten voordat je afdaalt.
1. Een oplossing voor een stinkend probleem

In de 18e eeuw barstten de begraafplaatsen van Parijs uit hun voegen. De stank was ondraaglijk en verspreidde ziektes. Soms stortte een kelderwand van een huis in, waardoor de lijken de kelder in rolden.
De oplossing? De oude kalksteengroeven onder de stad. Jarenlang reden er elke nacht karren vol botten van de kerkhoven naar de tunnels. Zo ontstond het grootste knekelhuis ter wereld.
2. Meer inwoners onder de grond dan erboven
In de catacomben liggen de resten van ongeveer 6 miljoen mensen. Dat is bijna drie keer zoveel als het huidige aantal inwoners van Parijs (2,1 miljoen)!
Onder de doden zijn vele beroemdheden, zoals de sprookjesschrijver Charles Perrault en revolutionairen als Robespierre en Danton. Niemand weet precies waar wie ligt, want alle botten zijn door elkaar gegooid.
3. Een doolhof van 300 kilometer

Het ondergrondse netwerk is gigantisch: naar schatting zo’n 300 kilometer lang. Het strekt zich uit onder een groot deel van de stad.
Het officiële museumgedeelte (het ossuarium) waar toeristen mogen komen, is slechts 1,5 kilometer lang. De rest is verboden terrein, al houdt dat niet iedereen tegen.
4. Decoratieve bottenkunst
In het begin werden de botten gewoon op een hoop gegooid. Maar later besloot de inspecteur van de steengroeven om er iets ‘moois’ van te maken.
De botten werden netjes gesorteerd: rijen met dijbeenderen afgewisseld met rijen schedels. Ze vormden patronen zoals harten, kruizen en zelfs een gigantisch vat. Het resultaat is macaber, maar fascinerend.
5. De ‘Champignons de Paris’

De tunnels bleken de perfecte plek voor het kweken van champignons: het was er donker, vochtig en de temperatuur was constant. In de 19e eeuw produceerden kwekers hier honderden tonnen paddenstoelen per jaar.
Daarom heten witte champignons in Frankrijk nog steeds ‘Champignons de Paris’, ook al komen ze tegenwoordig bijna allemaal uit kassen of uit het buitenland.
6. Ondergrondse kunst van Décure

Een veteraan genaamd Décure, die in de groeven werkte, gebruikte zijn vrije tijd om kunst te maken. Hij hakte prachtige sculpturen uit in de kalkstenen muren, waaronder een model van het fort van Port Mahon (waar hij gevangen had gezeten).
Helaas stortte hij tijdens het werken aan een trap naar beneden en overleed. Zijn kunstwerken zijn nog steeds te zien tijdens de officiële tour.
7. Het Verzet en de Nazi’s (buren?)

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de tunnels door beide partijen gebruikt. Het Franse verzet had een hoofdkwartier in de catacomben vanwaar ze hun acties coördineerden.
Ironisch genoeg hadden de nazi’s ook een bunker in de tunnels, onder een school in het 6e arrondissement. Ze zaten soms maar een paar honderd meter van elkaar vandaan, zonder het te weten!
8. De Cataphiles: Het geheime genootschap

Er bestaat een ondergrondse subcultuur in Parijs: de cataphiles. Dit zijn mensen die illegaal de verboden tunnels verkennen via putdeksels en geheime ingangen.
Ze houden er feesten, maken kunst en hebben zelfs een complete bioscoop en bar gebouwd (die door de politie werd ontdekt). Er is een speciale politie-eenheid (de ‘cataflics’) die in de tunnels patrouilleert om ze eruit te halen.